Avond- en nachtfotografie: de optimale belichting bepalen

avond-nacht-fotografieElke maand besteden we speciale aandacht aan een nieuw boek uit het fonds van Van Duuren Media. Het boek van de maand januari is Focus op Fotografie: Avond- en nachtfotografie van Jeroen Horlings en Kees Krick. Op het blog geven we wat voorproefjes uit het boek.
Dit is het vierde deel uit hoofdstuk 5 over het maken van de juiste belichting van een avond- of nachtfoto. In dit voorproefje komt het bepalen van de optimale belichting aan de orde, langer of korter belichten, zodat je zelf precies kunt bepalen hoeveel scherptediepte of beweging je in een foto krijgt. Het eerste deel uit dit hoofdstuk over ‘belichting’ vind je HIER, het tweede deel HIER, het derde deel HIER. Een interview met de beide auteurs vind je HIER en HIER. (H.F.)

Dertig seconden en meer

De meeste spiegelreflexen en systeemcamera’s kunnen een foto belichten tot maximaal dertig seconden. Wilt u langer belichten, dan kan dit, maar moet u uitwijken naar een speciale camerastand, genaamd de B-stand (BULB). De werking van de B-stand is vrijwel gelijk aan de M-stand. Met als verschil dat u geen sluitertijd instelt. Hoe bepaalt u dan de belichtingstijd? Nou, in deze stand wordt een foto gemaakt zolang u de ontspanknop ingedrukt houdt. Desnoods minutenlang. Natuurlijk doet u dat niet letterlijk, maar gebruikt u hier een afstandsbediening voor. We willen immers niet dat de camera trilt doordat we al die tijd de ontspanknop ingedrukt houden. Een afstandsbediening die zelf het aantal seconden aftelt is een pre, want dan hoeft u geen stopwatch te gebruiken om te bepalen of de gewenste belichtingstijd bereikt is.

Voor belichtingen langer dan dertig seconden wijken we uit naar de B-stand (12 mm, f/8, 60 sec, ISO 320).
Voor belichtingen langer dan dertig seconden wijken we uit naar de B-stand (12 mm, f/8, 60 sec, ISO 320).
Time-stand

Op een aantal camera’s kan wel een langere sluitertijd dan dertig seconden worden ingesteld. Bijvoorbeeld een minuut of zelfs nog langer. Controleer daarom altijd wat de maximaal instelbare sluitertijd van uw toestel is. Daarnaast beschikt een aantal camera’s over een Time-stand (soms aangeduid als T, maar het is wat anders dan de T- of Tv-stand). Die is vrijwel identiek aan de B-stand, alleen hebt u nu niet noodzakelijk een afstandsbediening nodig. Door op de ontspanknop te drukken, start u de opname. Door nog een tweede keer te drukken wordt de opname voltooid. De knop hoeft dus niet ingedrukt te blijven. De zelftimer kan gebruikt worden om trillingen bij het starten van de opname te voorkomen. Bij het stoppen is er minder risico op cameratrillingen. Voor de zekerheid kunt u eerst de lens afdekken met zwart karton of uw hand. Zodat de camera niets meer ziet en er dus geen trillingsonscherpte kan optreden.

Optimale belichting bepalen

In de M- en de B-stand stelt u zelf de belichting in. Maar wat is de beste belichting? Moet u een minuut belichten, twee minuten, of maar dertig seconden? U komt er relatief snel achter door testfoto’s te maken. Stel eerst het gewenste diafragma en de ISO-waarde in. Kies vervolgens een sluitertijd die redelijk lijkt. Bijvoorbeeld uit een eerdere foto die onder soortgelijke omstandigheden is gemaakt. Of laat u door de camera helpen (zie hieronder Behulpzaam balkje). Maak een testfoto en bekijk hem op het scherm. Al naar gelang of de foto te donker of te licht is, verdubbelt of halveert u de sluitertijd van de volgende testopname. In een paar stappen komt u zo vanzelf bij de juiste belichting uit. Eventueel kunt u als laatste nog wat regelen met kleinere stappen. Omdat we in het donker al snel met lange belichtingen te maken hebben, is dat meestal niet nodig. Want foto’s die twintig of tweeëntwintig seconden zijn belicht, verschillen nauwelijks.

Verdubbel of halveer de sluitertijd om snel de beste belichtingstijd te ontdekken (35 mm, f/11, 30 sec, ISO 200).
Verdubbel of halveer de sluitertijd om snel de beste belichtingstijd te ontdekken (35 mm, f/11, 30 sec, ISO 200).
Behulpzaam balkje

Vindt u het lastig om in te schatten wat een redelijke belichtingstijd is? Zelfs in de M-stand kan de camera u hierbij helpen. Want ook al stelt u alles zelf in, de camera kijkt wel met u mee. Zodra u een diafragma, sluitertijd en ISO-waarde instelt, is in de zoeker of op het scherm aan het balkje van de belichtingscompensatie te zien wat de camera hiervan vindt. Staat er een negatieve waarde? Dan denkt de camera dat de foto te donker wordt. Een positieve waarde? Het toestel schat in dat de foto te licht wordt. Dit kunt u als indicatie gebruiken om snel een redelijk kloppende belichting te krijgen. Kies bijvoorbeeld een sluitertijd waarbij het balkje netjes op nul staat. Dat is niet de juiste belichting, maar het is een mooi uitgangspunt. Verdubbel of halveer daarna de sluitertijd afhankelijk van of de foto te donker of te licht is.

Belichtingstruc

Deze methode kan tijdrovend zijn als we met erg lange belichtingen te maken hebben. Er is een truc om het sneller te doen. Stel uw camera tijdelijk in op de allerhoogste ISO-waarde die uw camera kent. De foto zal veel ruis vertonen, maar dat geeft niet. Het is maar een testfoto. Dankzij de hoge lichtgevoeligheid zijn snelle(re) sluitertijden mogelijk en bent u zo klaar. Maak weer testopnamen tot u de gewenste belichting hebt. Verlaag daarna de ISO-waarde naar de door u gewenste waarde en onthoud het aantal stops dat u omlaag gaat. Want met elke halvering van de ISO-waarde, moet u de sluitertijd verdubbelen om de gekozen belichting te houden. Er is dus wat rekenwerk nodig.

Rekenvoorbeeld

Laten we met een praktijkvoorbeeld kijken hoe de belichtingstruc werkt. We kiezen voor diafragma f/8 om voldoende scherp op de foto te krijgen. Laten we aannemen dat onze camera een hoogste ISO-waarde van 51200 kent. We beginnen met een sluitertijd van een seconde. Vervolgens maken we testopnamen en halveren of verdubbelen steeds de sluitertijd, afhankelijk van hoe de testfoto eruitziet. Is de belichting goed? We verlagen de lichtgevoeligheid weer naar de gewenste waarde. Terwijl wij dit doen, tellen wij het aantal stops. Stel dat we graag met ISO 100 werken, dan verlagen we de ISO-waarde als volgt: 51200, 25600, 12800, 6400, 3200, 1600, 800, 400, 200, 100. Dat zijn negen stappen in totaal, oftewel negen stops. Omdat de sensor nu negen stops minder lichtgevoelig is, verlengen we de sluitertijd met negen stops. Stel dat we bij ISO 51200 op een sluitertijd van 1/15 zijn uitgekomen, dan is op ISO 100 een sluitertijd van dertig seconden nodig. (1/15, 1/8, 1/4, 1/2, 1, 2, 4, 8, 15, 30).

Gebruik een extreem hoge ISO-waarde om in de M-stand snel de belichting te bepalen (28 mm, f/2.8, 2 sec, ISO 25600).
Gebruik een extreem hoge ISO-waarde om in de M-stand snel de belichting te bepalen (28 mm, f/2.8, 2 sec, ISO 25600).
Belichtingstijd en scherptediepte

Vooral als we veel scherptediepte willen hebben, kan de belichtingstijd bij nachtfoto’s flink oplopen. Want voor meer scherptediepte is een kleinere lensopening (diafragma) nodig en dat betekent dat er aanzienlijk minder licht in de camera komt. Dat tikt lekker aan. We hebben ’s avonds en ’s nachts immers al met weinig licht te maken. Stel dat u bij een gekozen diafragma (bijvoorbeeld f/8 of f/11) op een belichtingstijd van dertig seconden uitkomt bij ISO 100 en u vindt dit te lang, dan kan de ISO-waarde gerust omhoog, zodat de sluitertijd kan worden verkort. Moderne camera’s zijn in staat om tot hoge lichtgevoeligheden zoals ISO 800 of ISO 1600 prima beelden af te leveren, zonder dat de ruis storend wordt. Dit varieert wel per camera. Test daarom een keer uit tot welke ISO-waarde u het resultaat van uw camera acceptabel vindt. Stel dat u kunt kiezen voor ISO 1600 in plaats van ISO 100, dan valt de belichtingstijd in ons voorbeeld terug van dertig naar twee seconden. Dat scheelt enorm. Het is ook mogelijk om een groothoek te gebruiken. Bij groothoeklenzen is de scherptediepte erg groot. Er komt meer scherp op de foto, zodat u geen kleine lensopeningen hoeft te gebruiken. Is op een milde telelens f/11 of f/16 misschien nodig, op een groothoeklens kan f/4 of f/5.6 volstaan. Daarmee wint u zomaar een paar stops aan licht en gaat de belichtingstijd flink omlaag.

Is het donker en wilt u toch uit de hand fotograferen? Verhoog dan de ISO-waarde zodat de sluitertijd binnen de perken blijft (16 mm, f/2.8, 1/40 sec, ISO 2500).
Is het donker en wilt u toch uit de hand fotograferen? Verhoog dan de ISO-waarde zodat de sluitertijd binnen de perken blijft (16 mm, f/2.8, 1/40 sec, ISO 2500).
Belichtingstijd en beweging

Vaak kiezen we bewust voor een lange belichtingstijd. Zo kunt u in hoofdstuk 6 van het boek – Beweging – lezen hoe u in het donker heerlijk kunt spelen met alles wat er in beeld beweegt. Zoals lichtsporen van voertuigen, of het laten vervagen van stromend water en voortjagende wolken. Om beweging op de gewenste manier in een foto te laten vervagen, is een uitgekiende belichtingstijd nodig. Stel, er rijdt een auto voorbij. Als u de lichtsporen van links naar rechts door het beeld wilt laten lopen, is het nodig om te belichten tot de auto gepasseerd is. Hebt u liever korte, dynamische strepen? Dan volstaat een aanzienlijk kortere belichtingstijd.

Hoelang u moet belichten, hangt af van de snelheid van de beweging en van het effect dat u nastreeft. Langer is niet altijd beter of mooier. Experimenteer daarom zoveel mogelijk om te ontdekken wat voor u het beste resultaat oplevert. Stel dat we de rookpluimen van een fabriek als een mooie zachte waas willen vastleggen. Maak dan een reeks foto’s waarbij de belichting steeds verdubbelt, van bijvoorbeeld één tot dertig seconden (1, 2, 4, 8, 15, 30). Om de belichting te laten kloppen, moet u bij elke volgende foto één andere instelling (ISO-waarde of diafragma) ook veranderen. Kijk na afloop op het schermpje van de camera wat de mooiste zijdezachte rook geeft. Houd er rekening mee, dat afhankelijk van windsnelheid, windrichting en intensiteit van de rook (allerlei fabrieksprocessen), het resultaat ook bij gelijkblijvende sluitertijd steeds net even anders kan zijn.

Beweging, snelheid en intensiteit

Wat meespeelt bij het fotograferen van beweging, is de intensiteit van het licht en de snelheid van objecten. Dit bepaalt hoe bijvoorbeeld lichtsporen op de foto komen. Iets wat stilstaat en veel licht geeft, zal bij een lange belichting haarscherp en duidelijk zichtbaar op de foto komen. Het blijft immers steeds op dezelfde plek en de sensor heeft alle tijd om veel licht te verzamelen. Beweegt een object, dan zal het vervaagd op de foto komen. Het lichtspoor dat hierbij door het beeld getrokken wordt, zal duidelijker zijn naarmate iets langzamer beweegt en/of meer licht geeft. Ook nu is er meer ‘inbrandtijd’. Bij hogere snelheden en/of minder sterke verlichting zal het spoor juist zwakker zijn. Het object blijft maar kort op dezelfde plek, dus verzamelt zich daar minder licht.

Dit schip voer erg langzaam voorbij. Voor de lichtstrepen is meer dan vijf minuten belicht (17 mm, f/16, 314 sec, ISO 100).
Dit schip voer erg langzaam voorbij. Voor de lichtstrepen is meer dan vijf minuten belicht (17 mm, f/16, 314 sec, ISO 100).

Een lichtspoor zal daarom altijd intenser zijn naarmate een voorwerp feller is en langzamer beweegt, en juist vager als een object minder fel is en zich sneller verplaatst. Om lichtsporen alsnog feller te maken op de foto, kan een grotere lensopening (kleiner diafragmagetal) of een hogere ISO-waarde ingesteld worden. Er wordt dan meer licht per seconde opgevangen, zodat alles in beeld lichter wordt. Zowel bewegende als stilstaande objecten. Verkort of verlengt u de sluitertijd, dan heeft dat vooral invloed op alles wat stilstaat. Dat wordt feller. Lichtsporen van bewegende objecten worden er alleen korter of langer van, niet feller of zwakker.

Voor de lichtstrepen van deze tram is slechts vier seconden belicht (32 mm, f/8, 4 sec, ISO 100).
Voor de lichtstrepen van deze tram is slechts vier seconden belicht (32 mm, f/8, 4 sec, ISO 100).

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.