Belichting: tijdens en na het blauwe uur, automatisch én handmatig

avond-nacht-fotografieElke maand besteden we speciale aandacht aan een nieuw boek uit het fonds van Van Duuren Media. Het boek van de maand januari is Focus op Fotografie: Avond- en nachtfotografie van Jeroen Horlings en Kees Krick. Op het blog geven we wat voorproefjes uit het boek.
Dit is het derde deel uit hoofdstuk 5 over het maken van de juiste belichting van een avond- of nachtfoto. In dit voorproefje komen onder andere het belichten van een foto tijdens en na het blauwe uur aan de orde, of je voor de juiste belichting twee foto’s kunt samenvoegen of een filter moet gebruiken en hoe je werkt met behulp van het histogram. Het eerste deel uit dit hoofdstuk over ‘belichting’ vind je HIER, het tweede deel HIER. Het interview met de beide auteurs vind je HIER en HIER. (H.F.)

Belichten tijdens het blauwe uur

Tijdens het blauwe uur is het nog aardig licht, maar dat verandert in deze periode snel. Daarom is het opletten geblazen met de belichting. Vooral in pak hem beet de eerste helft van het blauwe uur, want dan is de lucht erg fel in verhouding tot het landschap eronder. Maken we een foto met een goed belicht landschap, dan raakt de blauwe lucht vrijwel zeker overbelicht. Om beide mooi op de foto te zetten, is het nodig om het contrast tussen de twee te verminderen. De lucht moet dus minder fel gemaakt worden. Dat kan op twee manieren: door twee foto’s te maken en die met software samen te voegen, of door tijdens de opname een speciaal filter te gebruiken. In de loop van de tweede helft van het blauwe uur neemt de intensiteit van de lucht snel af. Nu kunnen de lucht en het landschap wel beide zonder extra hulp samen op de foto gezet worden. Aan het eind van het blauwe uur wordt het echt donker. Opnieuw is er een groot contrastverschil, maar nu is dat geen probleem. De lucht mag in de meeste gevallen namelijk gerust donker op de foto komen.

Vooral in de tweede helft van het blauwe uur ontstaan prachtige blauwe luchten (28 mm, f/8, 15 sec, ISO 100).
Vooral in de tweede helft van het blauwe uur ontstaan prachtige blauwe luchten (28 mm, f/8, 15 sec, ISO 100).
Samenvoegen of een filter gebruiken

Als de lucht erg fel is, kan dat op twee manieren worden opgelost. Allereerst kunnen we twee opnamen maken vanaf statief. Eentje waarop de lucht goed belicht is en een tweede foto waar het landschap mooi op staat. Die foto’s kunnen met een fotobewerker worden samengevoegd tot een nieuwe foto waarop alles goed belicht is. Steeds meer camera’s kunnen dit automatisch voor u doen. De foto’s worden snel na elkaar gemaakt en meteen samengevoegd, zodat u het eindresultaat gelijk in handen hebt. Het lukt soms zelfs vanuit de hand.

De tweede mogelijkheid is een grijsverloopfilter gebruiken (zie hoofdstuk 7, Apparatuur). Dit is een filter waarvan de bovenste helft grijs is, zodat het aanzienlijk minder licht doorlaat. De onderste helft is wel volledig doorzichtig. Er tussenin zit een geleidelijke overgang, een verloop genaamd, zodat het niet meteen opvalt dat er een filter is gebruikt. Door het grijze deel over de lucht te plaatsen, wordt de lucht een stuk donkerder gemaakt. Zodoende past de intensiteit veel beter bij die van het landschap. Nu kunnen we wel gewoon ΘΘn foto maken waarop beide goed belicht zijn.

Met een verloopfilter zijn de felle lucht en de perronlampen donkerder gemaakt zodat de belichting beter klopt (28 mm, f/8, 10 sec, ISO 400).
Met een verloopfilter zijn de felle lucht en de perronlampen donkerder gemaakt zodat de belichting beter klopt (28 mm, f/8, 10 sec, ISO 400).
Automatische belichting

Tijdens het blauwe uur kunt u de belichting doorgaans automatisch door de camera laten bepalen. Net als overdag kan daar een camerastand naar keuze voor gebruikt worden, zoals Auto, P, Av, of Tv. Houd wel de sluitertijd in de gaten om te zien of u nog scherp uit de hand kunt fotograferen. Let ook op dat de ISO-waarde niet te hoog wordt. Anders ontstaat er onnodig veel ruis. Op het camerascherm kan vervolgens de belichting van de gemaakte foto beoordeeld worden. Is de foto te donker naar uw smaak? Dan is dit te corrigeren door bij de volgende opname een pluswaarde voor belichtingscompensatie in te stellen. Zoals +1, of in extreme gevallen +2. Bij een te lichte foto gebruikt u juist een negatieve waarde zoals -1 voor de belichtingscompensatie.

Het lukt de camera vaak wel om de juiste belichting te bepalen. Gebruik eventueel belichtingscompensatie om bij te sturen (100 mm, f/4, 1/80 sec, ISO 2500).
Het lukt de camera vaak wel om de juiste belichting te bepalen. Gebruik eventueel belichtingscompensatie om bij te sturen (100 mm, f/4, 1/80 sec, ISO 2500).

Belichten na het blauwe uur

Na afloop van het blauwe uur is het laatste restje daglicht definitief verdwenen (althans voor die dag). U kunt nog steeds proberen of de camera een goed belichte foto maakt met een (half)automatische programmastand. Net als tijdens het blauwe uur kunt u met belichtingscompensatie altijd nog een duwtje in de goede richting geven mocht dat nodig zijn. Omdat er weinig licht is, is de kans groot dat de sluitertijd nu te langzaam wordt om uit de hand te fotograferen. Dit is op te lossen door een grotere lensopening te gebruiken (klein diafragmagetal), door de ISO-waarde te verhogen of de stand auto-ISO te gebruiken en door de stabilisator van de camera of de lens in te schakelen. De camera stevig vasthouden of steun zoeken op bijvoorbeeld een brugleuning helpt ook om scherpere foto’s te maken. Een statief is de makkelijkste manier om onscherpte door trillingen te voorkomen. Er gelden dan meteen ook minder beperkingen. Zo bent u vrijer om een ander diafragma te kiezen, kan de ISO-waarde weer omlaag en zijn lange belichtingen mogelijk. Kiest een camera vaak de verkeerde belichting, dan is het tijd om de belichting handmatig in te stellen.

Na het blauwe uur is de lucht zwart en krijgen foto’s een andere sfeer (28 mm, f/11, 30 sec, ISO 200).
Na het blauwe uur is de lucht zwart en krijgen foto’s een andere sfeer (28 mm, f/11, 30 sec, ISO 200).
Verschil van dag en nacht

Overdag is de zon onze belangrijkste lichtbron, al zien we hem niet altijd. Wij kunnen kijken met onze ogen omdat het zonlicht door alles om ons heen weerkaatst wordt. Ook onze camera’s zijn ontworpen om met dit gereflecteerde licht goede foto’s te maken. ’s Avonds en ’s nachts maken we gebruik van kunstlicht. In tegenstelling tot overdag zijn er veel donkere plekken en ook felle lichtbronnen in beeld te zien. Een camera raakt hier vaak door in de war en wil dit compenseren door extra lang te gaan belichten. Foto’s mislukken daarom vaker. Wat dat betreft is een camera maar een ‘dom’ apparaat, geprogrammeerd om vooral in daglichtsituaties goede foto’s af te leveren. Dat het ineens avond of nacht is, begrijpt het toestel gewoon niet.

Lichtbronnen in beeld

Een groot verschil met overdag fotograferen, is dat we er bij avond- en nachtfotografie niet aan ontkomen dat er lichtbronnen in beeld komen. Om in het donker te zien is kunstmatige verlichting nodig en die lichtbronnen hangen en staan werkelijk overal. Denk aan straatlantaarns, schijnwerpers en verlichting aan gevels. We kunnen deze lichtbronnen vrijwel nooit allemaal uit beeld weren. Is dat erg? Ja en nee. Laten we dit toelichten.

Felle lichtbronnen zoals schijnwerpers en lantaarnpalen kunnen overbelicht op de foto komen (28mm, 4 sec, f16, ISO 640).
Felle lichtbronnen zoals schijnwerpers en lantaarnpalen kunnen overbelicht op de foto komen (28mm, 4 sec, f16, ISO 640).

Omdat kunstmatige lichtbronnen niet allemaal uit beeld te houden zijn, hebben wij ’s avonds en ’s nachts met twee soorten kunstlicht te maken. Allereerst het door de omgeving weerkaatste licht. Denk aan het licht van een lantaarnpaal dat op een gevel of op de weg valt. Alleen dankzij dit licht is het zichtbaar. Daarnaast zien we het directe licht van de lichtbron zelf. De lamp van de lantaarnpaal is vele malen feller dan het door de gevel gereflecteerd licht. Vanwege het enorme contrastverschil, kunnen beide nooit tegelijk goed belicht op de foto komen. Elke felle lichtbron zal daarom vaak in een overbelichte vlek veranderen.

Gelukkig zijn lichtbronnen doorgaans niet zo belangrijk bij nachtfoto’s. Het gaat er om wat ze verlichten. Gebouwen, bruggen, een mooie boom of een schip. Dat moet allemaal goed op de foto komen. Dat de kop van een lantaarnpaal overbelicht is, is bijzaak.

Handmatige stand

Bij avond- en nachtfotografie zal een camera vaker dan overdag de verkeerde belichting kiezen, omdat het toestel vooral is ontworpen om bij daglicht te werken. Het is omslachtig om dit alsmaar via belichtingscompensatie te corrigeren. Het is handiger om de belichting handmatig in te stellen. Daar is de M-stand voor bedoeld. De M-stand schrikt veel mensen af en lijkt ingewikkeld. Toch valt dit reuze mee. Met wat oefening is deze handmatige stand makkelijk te gebruiken.

In de M-stand stelt u handmatig de gewenste belichting in (12 mm, f/8, 15 sec, ISO 200).
In de M-stand stelt u handmatig de gewenste belichting in (12 mm, f/8, 15 sec, ISO 200).

In de M-stand stelt u zelf het diafragma, de sluitertijd en de ISO-waarde in. Er zijn slechts drie instellingen nodig om een goed belichte foto te maken. Op het scherm ziet u vanzelf of de foto goed is. Het diafragma kiest u aan de hand van de gewenste scherptediepte. De ISO-waarde houdt u waarschijnlijk laag om zo min mogelijk ruis te krijgen, of stelt u hoog in om nog uit de hand te kunnen fotograferen. Blijft alleen nog de sluitertijd over. Dat is de ultieme regelaar bij avond- en nachtfotografie, want hiermee bepalen we hoe bewegingen op de foto komen (zie hoofdstuk 6, Beweging). Is de foto te licht of te donker? In plaats van belichtingscompensatie te gebruiken, past u een van de drie instellingen (diafragma, sluitertijd of ISO-waarde) aan. U doet dus hetzelfde, alleen op een iets andere manier.

Histogram

Het histogram is een handig hulpmiddel. In deze grafiek zijn alle lichtwaarden van de foto te zien, van wit tot zwart en alle tonen ertussenin. Bij een spiegelreflex is het histogram niet in de optische zoeker te zien. Bij deze camera’s ziet u het pas zodra de gemaakte foto op het scherm bekeken wordt. Fotografeert u in live view, dan ziet u wel meteen het histogram. Hetzelfde geldt voor systeemcamera’s met een elektronische zoeker, dan is het histogram ook tijdens het fotograferen te zien.

Aan de uiteinden van het histogram kunnen hoge pieken voorkomen, vanwege de donkere gebieden en felle lichten (50 mm, f/11, 10 sec, ISO 200).
Aan de uiteinden van het histogram kunnen hoge pieken voorkomen, vanwege de donkere gebieden en felle lichten (50mm, f/11, 10 sec, ISO 200).

Bij foto’s die overdag genomen zijn, is er vaak een groot berglandschap in het histogram te zien. Dat kan zich in het midden bevinden, maar ook meer naar de zijkant. Fotograferen we in het donker, dan schuift de bergketen nog verder richting de rand. Er kunnen zich ook flinke pieken aan beide uiteinden bevinden, met een lager gebied ertussen.

De linker pieken geven de donkere tonen aan. ’s Avonds en ’s nachts is veel donker. Denk aan plekken waar weinig of geen licht valt of een zwarte lucht. Felle lichtbronnen die in beeld staan zorgen gezamenlijk voor de rechter pieken.

De pieken kunnen tegen de zijkant van het histogram aangedrukt zitten. Bij foto’s die we overdag maken is dat ongewenst, want het is een teken dat in delen van de foto geen details te zien zijn. Die zijn dan volledig zwart of wit. Bij avond- en nachtfotografie is het onoverkomelijk dat dit gebeurt en meestal ook geen probleem. De donkerste delen mogen zwart zijn en felle lampen komen overbelicht op de foto. Als de belangrijke delen van het onderwerp maar goed belicht zijn.

Meer lezen? Koop dan het boek Focus op fotografie: Avond- en nachtfotografie bij de uitgever, of bij je favoriete online boekhandelaar of bij de boekhandelaar om de hoek.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.