Handboek fotografie

Handboek fotografie: Belichting

Advertentie

Advertentie

U bent de trotse eigenaar van een digitale spiegelreflexcamera, een spiegelloze systeemcamera of een high-end compactcamera. Bent u tevreden met uw foto’s? Soms wel, soms niet… Soms ontbreekt het aan de kennis om bijvoorbeeld in moeilijke omstandigheden een juiste belichting te maken. Kennis van de fotografische basisprincipes en de bediening van het gereedschap vormen een onmisbaar fundament om bij elk onderwerp volledige controle te kunnen hebben over het eindresultaat. Maar ook met voldoende kennis en vaardigheden resulteert een druk op de ontspanner nog steeds niet altijd in een perfecte foto. Zaken als een goede voorbereiding, inleving in het onderwerp, geduld en niet te vergeten inspiratie zijn vaak nog veel belangrijker om onderscheidend te kunnen fotograferen. In het Handboek Fotografie komen al deze onderdelen aanbod.
Het voorproefje hieronder uit dit boek behandelt de eerste onderdelen van de principes van het belichten van een foto.

Principe van belichting

Er is dus licht nodig om een goede foto te kunnen maken, om de kleuren en het detail vast te leggen zoals we dat zien. Maar hoe weet een camera nu hoeveel licht hij toe moet laten voor een goed belichte foto? Hoe laat hij de helderheid van de foto overeenkomen met wat het menselijk oog ziet? Om een goede helderheid te bewerkstelligen moet een camera twee kunstjes kennen. Allereerst moet hij in staat zijn de hoeveelheid licht te meten die door het onderwerp wordt gereflecteerd. Is er veel of weinig licht? Is het een licht, middelgrijs of donker onderwerp? Afhankelijk van die lichtmeting moet hij een concrete hoeveelheid licht doorlaten naar de sensor. Hoeveel dat moet zijn, is vastgelegd in een rekenprogramma, gebaseerd op het gegeven dat de lichthoeveelheid zodanig moet zijn, dat de helderheid van de foto 50 procent grijs is.

De belichting van een camera probeert de gemiddelde helderheid van een foto 50 procent te maken. Meng de helderheden van de foto en middelgrijs is het resultaat.

Dat klinkt heel moeilijk, maar dat is het niet. Als u een digitale foto opent in een fotobewerkingsprogramma en u zou alle pixels met elkaar mengen en vervolgens omzetten naar grijswaarden, dan zal dit ongeveer middelgrijs worden. Uit de praktijk is gebleken dat deze methode in 80 procent van de gevallen een helderheid oplevert die overeenstemt met de werkelijkheid. Dergelijke belichtingsprogramma’s bestaan al sinds de analoge fotografie. Toen werd echter niet gezegd dat het gebaseerd was op een output van 50 procent grijs, maar op de reflectie van het licht op een 18 procent grijskaart. De hoeveelheid licht die daarop reflecteert is blijkbaar 50 procent.

Zo gaat de automatische belichting om met een wit en een zwart onderwerp. De hoeveelheid omgevingslicht is in beide gevallen hetzelfde gebleven, maar het verschil in helderheid van het onderwerp zorgt ervoor dat de camera een andere sluitertijd en diafragma kiest en dus dat de achtergrond anders belicht is. Links: f/4 en 1/25s. Rechts: f/4 en 1/60s.

Zoals gezegd levert het 50 procent-principe in de meeste gevallen goed resultaat.Soms gaat het echter ook mis. Staat u op een skipiste met sneeuw als hoofdonderdeel van uw onderwerp, dan zal de camera toch streven naar een middelgrijs plaatje en dat is dan ook te zien als u de belichting van uw camera ongemoeid laat. Hetzelfde geldt voor een foto die u in het donker maakt. De camera zal dan toch zo veel licht doorlaten naar de sensor dat het eindresultaat grijs is.

Hoeveelheid afhankelijk van gevoeligheid

Bij de eerste camera’s in de negentiende eeuw werd ‘lichtgevoelig’ materiaal gebruikt dat direct belicht werd in een soort ‘camera obscura’. De gevoeligheid van deze ‘film’ was echter dermate laag, dat de belichtingstijd soms bijna een uur moest zijn. De modellen waren toen erg geduldig. Er was dus veel licht nodig om tot een goed helder beeld te komen. In de loop van de jaren werd de gevoeligheid van het te belichten medium steeds hoger, waardoor de belichtingstijd verkort kon worden tot de waarden die we tegenwoordig kennen.

Ook aan de sensor van een digitale camera kan een gevoeligheid worden toegekend. De eenheid hiervan is ISO (vroeger ASA) en loopt in de praktijk van 50 tot ver boven de 100.000. Bij een lage gevoeligheid, bijvoorbeeld ISO 100, is veel meer licht nodig voor een goede belichting dan bij ISO 3200. De hoeveelheid licht die de camera toelaat, is dus afhankelijk van de ingestelde gevoeligheid.

Hoe kan een camera deze hoeveelheid concreet regelen? Eigenlijk is dat te vergelijken met een emmer water die gevuld moet worden met een tuinslang en een kraan. Zet u de kraan helemaal open, dan is de emmer snel vol. Zet u de kraan maar voor de helft open, dan duurt het twee keer zo lang. In beide gevallen is de emmer vol. Een camera heeft in de lens een diafragma waarmee de opening van de lichtdoorlaat wordt geregeld. Dat is vergelijkbaar met hoe vér de kraan openstaat. Hoe lang er licht door het diafragma gaat, wordt bepaald door de tijd dat de sluiter het licht toelaat tot de sensor. Dit is weer in analogie met hoe láng de kraan openstaat.

Vergelijking ‘emmertjes water vullen’ met de belichting van een camera. De stand van de afsluiter is het diafragma. de tijd voordat de emmer vol is, is de sluitertijd. Het volume van de emmer is de ISO-gevoeligheid.

Als we de gevoeligheid ook meenemen in deze vergelijking, is dat dus het volume van de emmer. Moet er bij ISO 100 bijvoorbeeld een emmer gevuld worden, dan zijn dat bij ISO 1600 maar drie bekers. Dat laatste gaat een stuk sneller (kortere sluitertijd) of de kraan hoeft niet zo ver open te staan (kleiner diafragma). We laten de vergelijking met water en emmers achter ons, maar hopelijk heeft het wel bijgedragen tot een betere beeldvorming.

Samengevat: afhankelijk van de hoeveelheid gemeten licht, het uitgangspunt dat de foto 50 procent helder moet worden en de ingestelde gevoeligheid van de sensor, kiest de camera een diafragma (lensopening) met een bijbehorende sluitertijd. Een grote lensopening met een korte sluitertijd levert dezelfde belichting op als een kleine lensopening en een lange sluitertijd. Tussen deze extremen zijn er nog veel meer mogelijke combinaties van sluitertijd en diafragma, die allemaal dezelfde belichting opleveren. Dat deze foto’s toch niet identiek zijn, leert u in hoofdstuk 4 over scherpte en scherptediepte.

Vanuit het boek kunt u allerlei extra informatieve filmpjes bekijken. Dit filmpje uit het hoofdstuk geeft extra informatie over belichting:

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.