Objectieven: Afbeeldingskwaliteit

cover-boek-ObjectievenHet boek van de maand september is het boek Focus op Fotografie: Objectieven van auteur Dré de Man. Op het ComputerCreatief-blog geven we deze maand wat voorproefjes uit het boek en is er een interview met Dré de Man. Dit is een voorproefje uit het hoofdstuk Afbeeldingskwaliteit. In dit hoofdstuk komen de afbeeldingseigenschappen van een objectief, de scherpte, het scheidend vermogen, het contrast en microcontrast aan de orde.

Afghan girl

Het eerste objectief dat ik ooit kocht was een Nikkor 105mm f/2.5 – samen met een zwarte Nikkormat Ftn. Het was een beroemd objectief, want het waarschijnlijk beroemdste portret ter wereld is ermee gemaakt: ‘Afghan girl’ van Steve McCurry. Nu ja, McCurry gebruikte niet mijn exemplaar, maar een identiek objectief. Ik was altijd verbaasd over de kwaliteit van de foto’s die ik ermee maakte: ze waren minstens zo goed als ik hoopte, meestal beter. Ik kon erop rekenen dat het objectief onder vrijwel alle omstandigheden goede foto’s zou maken.

De Nikkor 105mm (reproductie van Ciba­chrome-afdruk, oorspronkelijke opname 1/4 s f/16, 55 mm macro-objectief, Kodak Ektachrome T64).
De Nikkor 105mm (reproductie van Ciba­chrome-afdruk, oorspronkelijke opname 1/4 s f/16, 55 mm macro-objectief, Kodak Ektachrome T64).

Het tweede objectief dat ik aanschafte, was ook beroemd, want het was het meest uitvoerig geteste objectief bij het blad Focus. Men had maar liefst tien exemplaren tegelijk getest. De Panagor 28mm f/2.5 moest wel een geweldig objectief zijn, wat Focus loofde het in alle toonaarden.

Ik heb er nooit één fatsoenlijke foto mee gemaakt. Nu goed, precies één, maar dat was een foto die van nature een enorm contrast had en waarbij ik de film ook nog eens iets te lang ontwikkeld had, zodat het contrast nog groter werd. Maar verder: geen enkele goede foto. Hoe dat kwam? Het objectief was – gediafragmeerd – niet onscherp, maar het miste iets. De foto’s zagen er – ik kan het niet anders zeggen – smerig uit, zonder veel doortekening: ze leefden niet. Een jaar later kocht ik een Nikkor 28mm f/3.5, en hoewel dat objectief een stop minder lichtsterk was, kon ik er in de praktijk in veel donkerder situaties mee fotograferen. Het had namelijk – zo begreep ik pas vele jaren later – een veel beter microcontrast en een fraaiere beeldoverdracht, en het was veel transparanter. De Panagor was gemaakt om te verkopen en in tests goed te presteren, de Nikkor om goede foto’s mee te maken.

Panagor bestaat allang niet meer. Focus bestaat nog wel, maar test nu op een andere manier. Dat ­objectief ben ik echter nooit vergeten. Spoedig daarna ben ik gaan experimenteren met testmethoden en probeerde ik er op allerlei manieren achter te komen hoe het kan dat een objectief goed uit een test komt – ook uit de standaardtests die ik deed – en toch in de praktijk vrijwel onbruikbaar is.

In de loop der jaren heb ik veel objectieven getest en gekocht, en met sommige objectieven heb ik duizenden, soms wel tienduizenden foto’s gemaakt. Nog steeds zie ik de fouten van de Panagor terug – naar dan zo sterk afgezwakt dat je alleen nog van verschillen in kwaliteit kunt spreken. Ik zie ze ook terug binnen eenzelfde merk – sterk verzwakt, maar ze zijn er wel. Een goed voorbeeld is de Nikon AF-S 35mm f/1.4 vergeleken met de Nikkor AF-S 35/1.8 voor full frame. De 1,4 doet het in tests qua scherpte niet echt beter, het bokeh blijkt alleen wanneer je het precies onderzoekt beter dan dat van de 1,8-versie, maar toch hebben de foto’s gemaakt met de 1,4 duidelijk iets extra’s. Ik heb vele foto’s met de 1,4 gemaakt en altijd waren ze minstens zo goed als ik had gedacht, meestal beter.

Zowel de 1,4 als de 1,8 als de oude Panagor waren scherp. Maar ik wil helemaal geen objectief dat scherp is. Ik wil een objectief dat goede foto’s maakt, dat de werkelijkheid overtuigend weergeeft. Je ziet ook iets dergelijks bij stereoapparatuur: je hebt luidsprekers die je veel details laten horen en je hebt luidsprekers die je het gevoel geven dat je in het Concertgebouw zit. Ik geef toe, dat klinkt een beetje zweverig, maar wanneer je het natuurkundig beschouwt, komt het erop neer dat de mix van aberraties bij het ene objectief veel overtuigender uitpakt dan bij het andere. Dat is als bij het koken: je kunt twee gerechten bereiden met dezelfde hoeveelheden zout, water, vet, koolhydraten en kruiden, maar het ene gerecht smaakt heel aardig en het andere geweldig.

À propos smaak: er zit dus ook een subjectief element in de beoordeling van een objectief. Dat komt doordat onze ideeën over contrast en bokeh verschillen. De ene persoon zoekt foto’s die er qua kleurverzadiging en contrast uitspringen, terwijl de andere juist heel subtiele nuances wil weergeven. In die zin kun je ook niet zeggen dat merk x of y altijd beter is dan merk z, maar wel dat wanneer je een bepaald merk prefereert, het waarschijnlijk niet zo verstandig is om een willekeurig ander merk te kiezen. De meest merken hebben namelijk wel een soort handtekening: een overeenkomende mix van afbeeldingseigenschappen.

Scherpte bestaat niet

Een mes kan scherp zijn, een objectief niet. Een objectief kan wel een hoog scheidend vermogen hebben, heel kleine details weergeven. Het kan ook een hoog contrast hebben, grote verschillen maken tussen licht en donker. Een objectief kan zelfs kleine details met veel contrast weergeven. Dat laatste noemen we microcontrast en dat is iets anders dan het gewone contrast. Een goed objectief kan dit allemaal, maar vooral het laatste. Hoe dan ook is het altijd een compromis: de weergave van de allerfijnste details gaat een beetje ten koste van het contrast bij de grovere details, en omgekeerd.

Wat we scherp noemen, is in feite een subjectieve indruk gebaseerd op een combinatie van scheidend vermogen en contrast, die sterk kan verschillen, afhankelijk van onder meer het onderwerp, de verlichting van het onderwerp en de beschouwingsafstand van de foto.

De scherpte-indruk kun je in de digitale fotografie ook beïnvloeden. Om te beginnen doet de camera dat zelf al, zelfs wanneer je raw’s maakt. Je kunt de afbeeldingskwaliteit van objectieven ook verder in vrij grote mate beïnvloeden. Je kunt kleurfouten corrigeren, het contrast verhogen, vertekening corrigeren, zelfs het microcontrast (zie hierna) enigszins beïnvloeden, maar aan al die bewerkingen zijn wel grenzen gesteld. De weergave van fijne details kun je met verscherping sterk beïnvloeden. Maar details die er niet zijn, kun je ook niet verscherpen. Dat geldt voor details die te klein zijn voor het objectief in kwestie, maar ook voor details die groter zijn maar een zodanig laag contrast hebben dat het objectief ze niet weergeeft. De echte afbeeldingskwaliteit van een objectief is die kwaliteit die je niet in Photoshop kunt creëren. Er zijn tegenwoordig nauwelijks nog slechte objectieven, maar er zijn nog steeds objectieven die het in (te) veel situaties laten afweten, terwijl er ook objectieven zijn die je bijna altijd verbazen met hun kwaliteiten.

Een MTF-grafiek van een ideaal (diffractiegelimiteerd) objectief. Naarmate de details kleiner worden (horizontaal), daalt het contrast (verticaal). (Afbeelding: Wikipedia, Tom Vettenburg.)
Een MTF-grafiek van een ideaal (diffractiegelimiteerd) objectief. Naarmate de details kleiner worden (horizontaal), daalt het contrast (verticaal). (Afbeelding: Wikipedia, Tom Vettenburg.)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.