Het ideale objectief

Het ideale objectief bestaat niet. Toch bestaan er objectieven die in de buurt van dat ideaal komen.

Zo heeft Nikon ooit een objectief gemaakt dat het maximale theoretisch haalbare scheidend vermogen bereikt. De Ultra Micro-NIKKOR 29.5mm f/1.2 haalde 1260 lijnparen per mm  – maar zoals de naam al aangeeft alleen op korte afstand. Zeiss komt er ook dichtbij met de op alle afstanden goed bruikbare (maar zeer dure en erg grote) Zeiss Otus 50mm f/1.4. Zowel de Ultra-Micro-Nikkor als de Otus zijn echter objectieven met een vaste brandpuntsafstand. Ideaal zou een zoomobjectief zijn met een heel grote zoomfactor, een redelijk grote lichtsterkte en een heel hoge kwaliteit.

Het ideale objectief bestaat niet, maar er bestaat al wel een patent voor. Nikon – alweer, ik kan er niets aan doen – heeft namelijk op 1 september een patent aangevraagd een voor een 77x zoomobjectief. Hadden ze dat dan niet al? Ja, zelfs een 83x voor een compactcamera. Het patent heeft echter betrekking op een objectief voor een 1-inch-sensor. Het begint ook nog eens met een echte supergroothoek, 21 mm kleinbeeldequivalent en eindigt bij 1620 mm equivalent, en dat beginnend bij een lichtsterkte van f/2,8. Het is een 21-1610mm f/2.8-6.3 equivalent. Omdat de een-inch-sensoren dankzij BSI tegenwoordig heel goed zijn, komt het voor mij al heel aardig inde buurt van een ideaal objectief – in ieder geval voor sommige toepassingen. Goed, gemeten aan de betere dynamiek- en ruisprestaties van full frame is de lichtsterkte gering, maar hij voldoet – en daar gaat het om.

Dré de Man, zelfportret.
Dré de Man, zelfportret.

Er zijn ook heel andere objectieven die je ideaal zou  kunnen noemen – maar dan vanuit het idee dat die objectieven een behoefte vervullen die heel groot is. Zo bieden Tokina en Sigma superlichtsterke zooms voor aps-c-camera’s, met een zeer hoge kwaliteit.

Voor mij is echter nog steeds mijn 70-200mm f/2,8 een ideaal objectief, vooral wanneer je het op aps-c gebruikt. Ik ben namelijk ooit begonnen met maar één objectief, een 105mm f/2,5 op een kleinbeeldcamera. Die 70-200 bestrijkt dan het hele telegebied met een lichtsterkte van f/2,8 en stabilisatie. In combinatie met een converter heb ik dan ook nog eens een superteleobjectief.

Maar misschien is het ideale objectief ook wel voor iedereen anders, een vogelfotograaf is wellicht heel erg blij met een 400mm f/2.8 en portretfotograaf met een 85mm f/1.2 of een 105mm f/1,4.

Als ik heel eerlijk ben, dan is het ideale objectief het objectief dat een foto maakt, die voor mij ideaal is. Gisteren was dat voor mij een 18-35mm equivalent die met een 1”-camera onder mijn drone hing. Morgen is het misschien de 70-200/2.8 en over een paar dagen een lichtsterke groothoekzoom. Bij wijze van experiment heb ik voor mijn objectievenboek een gaatje in een metalen plaatje gemaakt en dat voor een 36 megapixel full frame-camera gemonteerd. Zo had ik dus een camera obscura dus een camera zonder objectief. Voor één foto dat dus het ideale objectief.

Kortom, ‘het ideale objectief bestaat niet’, is misschien wel een onjuiste uitspraak. Ieder objectief kan ideaal zijn, zelfs géén objectief. Wil je het ideale objectief hebben, dan moet je alleen weten welk objectief in een bepaalde situatie ideaal is. Hoe je daarachter komt? Wel ehh, daar heb je sinds kort een boek voor…
Dré de Man

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.