Avond- en nachtfotografie: een interview met Jeroen Horlings en Kees Krick (1)

avond-nacht-fotografieJeroen Horlings en Kees Krick schreven samen het boek van de maand Focus op Fotografie: Avond- en nachtfotografie. Jeroen en Kees zijn alle twee fotograaf en alle twee schrijven ze al lang over fotografie.
Voor het interview over het boek spraken we bij het vallen van de avond af op de NDSM-werf in Amsterdam-Noord. Dit is deel 1 van het interview. Deel 2 vind je HIER.

Voorafgaand aan het interview lopen we over die NDSM-werf op zoek naar mooi licht voor wat foto’s bij het interview. Het is vies weer, met een beetje motregen. Geen prettig weer om te fotograferen. Op het moment dat ik de foto’s ga nemen is het net een beetje droger, maar het blijft grijs, de lantaarns floepen aan en er is nog wat laatste daglicht. We bekijken later de resultaten op het LCD-schermpje van de camera. Ondanks de bewolkte lucht, wordt de lucht op de foto’s blauw. Het blauwe uurtje? Ik dacht dat je daar onbewolkte lucht voor nodig hebt?
Kees Krick: ‘Na zonsondergang krijg je het beroemde blauwe uurtje, waarbij je op de foto’s van die mooie diepblauwe luchten krijgt. Over dat blauwe uurtje schrijven we uitgebreid in het boek. Als het bewolkt weer is of grijs weer is zoals vandaag, krijg je op je foto’s toch die blauwe luchten, ondanks dat jezelf grijze lucht ziet. Je camera ziet het kunstlicht, dat is gelig, je camera maakt het automatisch koeler, naar wit toe. De lucht wordt daardoor qua kleurtemperatuur ook afgekoeld en wordt daardoor blauw. Dus als het een mooie egale grijze lucht is, dan kun je doen alsof het het blauwe uur is.
Jeroen Horlings: ‘En het is nu ook nog vrij licht, de lucht is nog niet pikzwart, en dat helpt ook om de lucht blauwer te maken.’

Dit zijn de donkere maanden met het minste daglicht…
KK: ‘Het is het optimale seizoen voor nachtfotografie!’

Links Jeroen Horlings, rechts Kees Krick.
Links Jeroen Horlings, rechts Kees Krick.

Wat maakt avond- en nachtfotografie zo verschillend van het fotograferen overdag?
KK: ‘Je kunt ‘s avond en ‘s nachts een compleet andere wereld fotograferen dan de wereld die je overdag met het blote oog ziet. Als je overdag iets ziet en je maakt een foto, dan leg je vast wat je ziet, maar als je ‘s avonds fotografeert, kun je een hele onzichtbare wereld vastleggen. Het leuke is dat je iets fotografeert wat je niet ziet, maar het moeilijke is dat je iets fotografeert wat je niet ziet. Je ziet het niet, dus hoe weet je wat je moet fotograferen? Je werkt bij dit soort fotografie veelal met lange sluitertijden, dus alles wat beweegt, gaat op een bepaalde manier vervagen. Je weet van te voren niet of iets leuk gaat worden. Je moet veel experimenteren en ervaring opdoen. Dan leer je op een gegeven moment dat de koplampen van auto’s die voorbij rijden, lichtsporen in beeld geven en dat is een voorbeeld van een onzichtbare wereld die je normaal gesproken niet ziet.’
JH: ‘Dat zijn de twee kernwoorden bij dit soort fotografie: lange sluitertijden. Bij daglicht kun je wel werken met lange sluitertijden, maar niet veel mensen doen dat. Bij avond- en nachtfotografie werk je bij uitstek met lange sluitertijden. Je krijgt daardoor bijvoorbeeld een stoplicht dat zowel op rood als groen staat. Als je dat voor het eerst ziet, is dat fascinerend.  Dat zelfde geldt ook voor verkeer dat voorbij komt, voor sterren die bij hele lange sluitertijden strepen maken in de lucht.’
KK: ‘Je kunt ook dingen onzichtbaar maken door die lange sluitertijden. Als er bijvoorbeeld voetgangers voorbij komen, zie je die niet. Als er in Amsterdam fietsers voorbij komen, zie je die ook niet, want Amsterdammers hebben geen licht op hun fiets. Alles wat een lampje heeft zie je, want dat trekt een lichtspoortje door het beeld, alles wat in beweging is en geen licht heeft, wordt onzichtbaar.’

Uit het boek Avond- en nachtfotografie.
Uit het boek Avond- en nachtfotografie.

Ik zag een hele mooie foto in het boek van dat landschap met dat dunne rode lijntje wat in de verte verdwijnt…
KK: ‘Dat was het achterlicht van een fietser in het Vondelpark in Amsterdam. Je kunt bij dat soort foto’s goed het verschil zien tussen een fietser en een hardloper. Een hardloper gaat met zijn armen en benen heen en weer en dan wordt zo’n lichtspoor een grillig patroon, een fietser heeft een lijntje dat gewoon rechtdoor loopt. Ik fotografeerde laatst iemand die een soort glow-in-the-dark-achtige band om had. Die kwam hardlopend voorbij. Ik had mijn camera vlakbij de grond en dan zie je echt zo’n spoortje door het beeld huppelen. Als ik aan mensen vraag wat het is, is het eerste waar ze aan denken een kangoeroe. Het is heel moeilijk om te raden wat zoiets dan is.’

‘Een hardloper gaat met zijn armen en benen heen en weer en dan wordt zo’n lichtspoor een grillig patroon, een fietser heeft een lijntje dat gewoon rechtdoor loopt’

JH: ‘Een ander kernwoord bij avond- en nachtfotografie is Creatief. Je wordt uitgedaagd om te spelen met lange sluitertijden en de effecten die ze opleveren. Op het moment dat je dat als amateur voor het eerst ontdekt, zie je wat voor verrassende en toevallige speelse effecten je krijgt. Des te vaker je er mee hebt gewerkt, des te bewuster kun je dat soort effecten gaan toepassen.’
KK: ‘Je weet van te voren dat zo’n lichtje bij een lange sluitertijd een bepaalde effect heeft, maar als je 10 foto’s achter elkaar maakt, zijn ze toch allemaal verschillend. Je hebt er geen grip op. Je ziet het niet en hoe mensen of voertuigen bewegen weet je ook niet van te voren. Soms valt een lichtspoor erg tegen, een andere keer is het ineens heel spannend geworden.’

Je moet dus om te beginnen een goed statief hebben…
JH: Als je met lange sluitertijden wilt beginnen, dan zeker. Maar we leven ook in een uitzonderlijke tijd waarbij je in het halfdonker ook nog uit de hand kunt fotograferen, zonder statief, dankzij de hoge ISO-waarden die je op je camera kunt kiezen. In de analoge tijd, met filmpjes was dat niet goed mogelijk. Met een camera met een moderne sensor kun je probleemloos uit de hand fotograferen. Ben je toerist en je wilt de stad vastleggen zoals je hem ziet, dan kan dat met de moderne camera’s prima.’

‘Er is veel te veel vertrouwen in de camera, dat die het wel vanzelf kan oplossen’

KK: ‘Toch weten veel mensen niet hoe ze ‘s avonds foto’s moeten maken. Dat kun je aan de ene kant oplossen door langer te belichten, maar daarvoor heb je meestal een statief nodig. Een andere manier is het gebruiken van de hoge ISO-waarden van je camera en de beeldstabilisatie van je camera of je lens.’
JH: ‘Er zijn heel veel mensen die ‘s avonds willen fotograferen, maar veel mensen lukt het niet en maken foto’s met bewegingsonscherpte. Hoe kan dat? Moet ik altijd een statief gebruiken? Wanneer gebruik je wel een statief, wanneer niet? Dat leggen we allemaal uit in het boek.’
KK: ‘Men weet vaak niet waarom een foto niet gelukt is. Dan gaan ze de flitser aanzetten, maar met een flits is het hele effect van de avond eigenlijk weg.’
JH: Er is veel te veel vertrouwen in de camera, dat die het wel vanzelf kan oplossen.

Dat komt doordat de camera in de automatische stand staat. Dat is een van de eerste dingen die jullie noemen: zet de camera van de automatische stand af.
KK: ‘Ja, een andere stand dan ‘automatisch’ zet meteen uit dat de flitser automatisch aangaat als het donker wordt. Je kunt daardoor veel mooiere foto’s maken. Je hoeft echt niet alle technische dingen van je camera te weten, maar door op een paar dingen te letten, kun je al snel veel mooiere foto’s maken. Je hoeft ook niet meteen een statief mee te nemen. Je kunt je camera op een muurtje of op een tafel neerzetten: dan kun je ook al langer gaan belichten. Je kunt een ministatiefje meenemen, de beeldstabilisatie in je camera aanzetten, zelf tegen een muur leunen of je camera beter tegen je lichaam houden. Met een paar simpele trucs kun je al veel mooiere en niet bewogen foto’s maken.’

Links Jeroen Horlings, rechts Kees Krick.
Links Jeroen Horlings, rechts Kees Krick.

Volgens mij schreven jullie ergens in het boek dat je de camera op de P-stand moet zetten…
JH: ‘De P-stand is de eerste stap op weg naar bewustere belichting van je foto’s, want bij deze stand gaat je flitser niet automatisch omhoog. Maar wil je verder, door het spelen met de scherptediepte, of wil je met lange sluitertijden werken, dan heb je de de A- of de T-stand nodig.’
KK: Het is natuurlijk in eerste instantie moeilijk om te weten hoe lang je dan een foto moeten belichten. Een halve minuut? Tien minuten? Het trucje daarvoor is dat je de camera eerst in de A-stand zet, je kiest eerst het diafragma, vervolgens zet je de camera op een hele hoge ISO-waarde en dan kijk je wat de camera voor foto neemt. Zodra je een goed belichte foto hebt, kun je die omrekenen naar een langere sluitertijd, als je de ISO-waarde weer lager maakt.’
JH: ‘Alle verschillende standen die je op de camera kunt gebruiken, A-, T-, P- en de M-stand (overigens heet de T-stand bij Nikon de S-stand. H.F.) komen in het boek aan de orde, waarbij je in de M-stand, de handmatige stand, natuurlijk de meeste controle hebt. Die M-stand is in eerste instantie ook het meest ingewikkeld, maar na wat oefening kom jedaar ook wel uit.’.
KK: ‘Om in de M-stand te gaan werken, is het het meest handig om eerst naar de A-stand te gaan. Daar doe je de eerste instellingen en dan laat je de camera uitrekenen wat de ideale belichting zou moeten zijn. Met die belichtingsinstellingen  begin je in de M-stand en daar ga je dan mee spelen. En op een gegeven moment weet je in welke situatie je 30 seconden moet belichten, of korter of langer. Als je er dan naast zit, omdat de foto overbelicht is, maak je daarna een foto met bijvoorbeeld 15 seconden belichting. Je gaat het op een gegeven moment niet telkens  van te voren uitrekenen.’

In deel twee van dit interview komen onder andere de keuze voor de juiste lenzen aan de orde, het werken met Raw of JPEG en de lengte van het blauwe uurtje. Deel 2 vind je HIER. (H.F.)

Een gedachte over “Avond- en nachtfotografie: een interview met Jeroen Horlings en Kees Krick (1)”

Geef een reactie